Hecht geen geloof aan je dromen

Een. Hoop.
Wat houdt het in goed samen te leven in rampzalige tijden? Na de deportatie van de koning en de hofbeambten en de leiders van het volk schrijft de profeet Jeremia aan hen in ballingschap. Hij raadt hun alle hoop op een snelle terugkeer te laten varen.

Laat je niet misleiden door je profeten en waarzeggers. Hecht geen geloof aan je dromen. Het zijn leugens. (Jeremia 29:8-9)

Niemand komt jullie redden. Het komt niet allemaal goed. Niet nu, in elk geval. Pas over zeventig jaar – een heel mensenleven – zal deze ballingschap ten einde komen.

Het zijn woorden die ook ons misschien wel iets te zeggen hebben, met de klimaatcrisis al duidelijk herkenbaar aan de horizon, begeleid door onvoorspelbare technologische ontwikkelingen en zorgwekkende politieke verschuivingen. De rest van deze eeuw zal in het Westen in het beste geval door stagnatie getekend zijn. In het ergste geval? Volgens de onderzoekers Pablo Servigne en Raphael Stevens zijn maatschappelijke ineenstorting (collaps) en zelfs hongersnood niet uit te sluiten.

Twee. Collaps.
Wie nog op een snelle terugkeer naar iets als normaliteit hoopt, heeft het dus nog niet begrepen. De ecofilosoof Donna Haraway benoemt in haar werk Staying with the Trouble twee typische reacties op de crises die zich aankondigen. De eerste: de verwachting dat de technologie zijn “stoute maar heel slimme kinderen” zal komen redden. Of, “en dat is eigenlijk hetzelfde,” dat God zijn “ongehoorzame maar steeds hoopvolle kinderen” komt redden. Allebei niet op rekenen, zegt Haraway. Gaat niet gebeuren.

Het komt niet allemaal goed. Tenminste niet nu

Maar wat dan? De tweede typische reactie is volgens Haraway de wanhoop: game over, het is te laat, het heeft allemaal geen zin meer. Je in te zetten voor een toekomst op deze aarde is tijdverspilling. Een begrijpelijke houding, zegt ze. Maar niet iets waar we iets aan hebben.

Drie. Aardbewoners.
Eigenlijk, argumenteert Haraway, zijn hoop en wanhoop elkaars keerzijden: Ze gaan er allebei vanuit dat de toekomst de plek is waar de betekenis van het heden bepaald wordt. Dat het heden dus in dienst staat van die toekomst. Hoop noch wanhoop is daarom echt gevoelig voor het schepselmatige bij-elkaar-horen van sterfelijke aardbewoners. Tegenover de verleiding “een denkbeeldige toekomst veilig te maken” zet Haraway de taak “bij de problemen te blijven,” iets dat volgens haar geen relatie met de toekomst vereist, maar juist een aanwezigheid bij elkaar in het heden.

Het is dus niet zaak het heden omwille van de toekomst in te zetten, maar in het heden (“presence”) te leren met elkaar aanwezig (“present”) te zijn in goede relatie. Pas dán kan er uit die veelheid aan relaties (“co-presence”) ook iets als toekomst groeien.

Vier. Hoop (II).
Zoals haar schalkse opmerking over God al aangeeft, zou je in Haraway’s vertoog een grote uitdaging voor de theologie en geloven überhaupt kunnen lezen. Wat is geloven, immers, als het niet hoop geeft in woelige tijden? Wat is religie als we er niet toch, op de één of andere manier, wél op rekenen dat God Zijn kinderen komt redden? Zelfs de progressieve theologie van na de Tweede Wereldoorlog (Moltmann, Soelle, Metz), hoewel gelouterd door de enorme catastrofe die de wereld net beleefd had, zet geheel in op die hoop: breekbaar, onzeker, en toch, iets komt, onverwachts… –

Maar wat kan geloven betekenen tegen een horizon van stagnatie, collaps, en rampspoed? Kan Westerse religie de hoop verleren – en leren ‘echt aanwezig te zijn’ in zulke tijden?

Vijf. Beginnen.
Misschien moeten we daarvoor terug naar Jeremia en die brief die hij schrijft aan de ballingen in Babylon. Want in dezelfde passage raadt hij hun namelijk nog iets:

Dit zegt […] de God van Israël: Bouw huizen en ga daarin wonen, leg tuinen aan en eet van de opbrengst, ga huwelijken aan en verwek zonen en dochters, zoek vrouwen voor je zonen en huw je dochters uit, zodat zij zonen en dochters baren. (Jer. 29: 4-6)

Oftewel: leef niet in je eentje in berusting of angst of afwachting van wat er gaat komen, maar maak plek voor elkaar in en tussen de rampspoed: ga relaties aan die leven geven. Maak met elkaar een begin, daar, waar je bent.

Volgens de filosoof Hannah Arendt is die capaciteit een begin te maken eigen aan de mens als mens. Ze noemt dit onze ‘nataliteit’. Filosofen en theologen hebben, volgens Arendt, de mens meestal begrepen als getekend door zijn sterfelijkheid. Je de onvermijdelijkheid van die toekomst, dat je moet sterven, te realiseren wordt in bijna de hele Westerse geschiedenis als de bron van alle grootsheid en wijsheid en vroomheid gezien. Maar volgens Arendt is ons menszijn juist getekend door het feit dat we allemaal geboren zijn. We zijn weliswaar sterfelijk – maar we zijn ook beginners bij uitstek. Sterfelijkheid betekent noodzaak, maar beginnen betekent vrijheid: het onderbreekt de voortdenderende geschiedenis met iets nieuws. Niet in de toekomst, maar nu.

Maak plek voor elkaar in en tussen de rampspoed

Zes. Verstrengeld.
Om dat goed te begrijpen, grijpt de door-en-door seculiere Arendt dan terug op twee theologen: Augustinus en Jezus. Die tweede moedigt immers zijn volgelingen telkens aan ‘mirakels’ te volbrengen, dat wil zeggen: iets nieuws te doen, opnieuw te beginnen en de zogenaamde noodzakelijkheden van ziekte, schuld, en isolatie te doorbreken.

En dat kan alleen maar met anderen samen. We zijn als geboren wezens telkens verstrengeld met de andere mensen en de andere schepselen, tussen wie wij ons met onze eigenheid invoegen. Dat is overigens ook wat Servigne en Stevens beargumenteren: goed samen leven in rampzalige tijden vereist vooral dat we dat ook echt samen doen. Dat we netwerken van wederzijdse ondersteuning opbouwen, die niet op de platformen van grote technologische bedrijven hun plek vinden, maar plaatselijk, veerkrachtig, en onafhankelijk zijn. Het belangrijkste is niet dat we allemaal onze eigen bunker in de tuin graven met een voorraad blikjes, maar dat we onze buren kennen. Dat we plaats maken voor elkaar.

Dit artikel verscheen eerder in Mondig 3

Tekst: Marius van Hoogstraten
Beeld: Thomas Ehling