De HEER zei tegen Abram: ‘Trek weg uit je land, verlaat je familie, verlaat ook je naaste verwanten, en ga naar het land dat ik je zal wijzen’. (Gen 12: 1)
Het is zomer en dus trekken we er massaal op uit. Ter ontspanning natuurlijk, maar tegelijkertijd kan al dat reizen en trekken ons iets leren over geloven en met elkaar een geloofsgemeenschap vormen. Onderweg zijn is namelijk een basishouding in geloven. In de Bijbel gaat het voortdurend over mensen die onderweg zijn. Het begint met Abraham, die wordt geroepen om te gaan naar het land dat God hem wijzen zal.
Abraham vertrekt zonder zekerheden, zonder te weten waar hij naartoe gaat. Het enige wat hij heeft, is die droom van een land waar hij als een gezegende zal wonen en waar het goed zal zijn.
In het Nieuwe Testament is Jezus onderweg. Hij heeft geen comfortabel bestaan opgebouwd als timmerman in Nazareth. Hij is op weg gegaan, omdat hij geroepen werd, omdat hij droomde, net als Abraham, van het beloofde land, van het koninkrijk Gods. Hij vertrok, zonder de zekerheid van de uitkomst, uit alle gevestigde ordes.
De hele geschiedenis van mensen die in de God van Abraham, Isaak en Jakob geloven, de hele geschiedenis van volgelingen van Jezus van Nazareth is een onderweg zijn. Telkens weer zoeken de gemeentes naar wat het betekent om in God te geloven in de tijd waarin ze leven. Dat vraagt een voortdurend zoeken naar nieuwe vormen en nieuwe manieren van uitdrukken, manieren om te groeien als gelovigen. Het is een voortdurend opgeven van zekerheden om op weg te blijven, om te groeien, naar die droom van het beloofde land.
Is er dan helemaal geen zekerheid? Is het dan de bedoeling dat we alles maar overboord zetten zonder dat we weten wat ervoor in de plaats komt?
In de droom val ik in een bodemloze diepte
Telkens weer komt ook in de verhalen naar voren dat de zekerheid op een ander vlak ligt. Anselm Grün omschrijft dat in een mooi beeld in zijn boek Dromen zijn géén bedrog. Het gaat over de betekenis van dromen en in dit geval over de betekenis van vallen in dromen. ‘In de droom val ik in een bodemloze diepte. Ik vraag me dan af waar ik mijn houvast verloren heb, waar ik te hoog geklommen ben, waar ik mij te ver gewaagd heb. De droom wil mij er niet bang voor maken dat ik binnenkort van de trap zal vallen. Hij wil mij ertoe aansporen om mijn grenzen te leren kennen en voor houvast te zorgen. Het is een aansporing voor mij om in God mijn houvast en vertrouwen te zoeken, om mij ervan bewust te maken dat ik geen garantie heb dat ik niet zal mislukken of vallen, maar dat ik in God stevig sta en op Hem kan bouwen’.
Houvast ligt niet in uiterlijke dingen, maar in vertrouwen. Als we die gedachte meenemen op onze zomerse reizen en daarmee weer thuis komen, komt er heel veel ruimte in ons persoonlijke leven, maar ook in het leven van de doopsgezinde geloofsgemeenschap. Want dan kunnen we heel veel experimenteren met onze vormen en manieren. Het tast ons fundament niet aan. Ons geloof ligt in het onderweg zijn, in de trektocht die we samen ondernemen. Het enige wat we op deze trektocht nodig hebben, is het vertrouwen in elkaar, het vertrouwen dat we elkaar kunnen helpen en steunen bij onze groei naar God.
Als we deze zomer al reizend ervaren hebben dat we veel van het vertrouwde kunnen loslaten en dat dan nieuwe wegen en mogelijkheden zich openen, kunnen we de toekomst met meer vertrouwen tegemoet zien.
Namens het hele ADS-bestuur wens ik u allen een zomer vol verrassende reizen en nieuwe inzichten.
Tekst: Sonja van der Meulen
beeld: Yasin Aribuga